Info      Tentoonstellingen      Tentoonstellingen archief      Kunstenaars      Grafiekcollectie      Overige activiteiten      Musea      Links      Home

 

   De Nationale Ossoliński Instelling in Wrocław

 


Bij de keuze van een museum dat in aanmerking komt voor onze serie wordt doorgaans uitgegaan van de aard van de collectie en van de geografische ligging ervan. Het is belangrijk dat een essentieel deel van de verzameling uit grafiek bestaat. Anderzijds is het wenselijk de keuze zo te bepalen dat alle delen van het land aan bod komen. Soms heeft een museum meer te bieden dan alleen een kunstcollectie. Deze bijkomstigheid speelt ook een rol bij onze overwegingen, omdat op deze wijze ook minder bekende musea belicht worden. 

De Nationale Ossoliński Instelling in Wrocław voldoet aan al deze criteria. De naam is ietwat geheimzinnig en doet niet direct vermoeden dat daarachter een aanzienlijke kunstcollectie schuilgaat. De Instelling omvat een bijzonder waardevolle en omvangrijke bibliotheek, waarvan de kunstcollectie deel uitmaakt. Zij huisvest ook een wetenschappelijke uitgeverij. 

De Instelling draagt de naam van de schrijver en verzamelaar Józef Maksymilian graaf Ossoliński (1754 - 1826). Deze erudiete humanist, bibliothecaris en vertaler van Griekse literatuur woonde aanvankelijk in Galicië, dat deel van Polen dat zich na de deling van 1795 onder de Habsburgse Monarchie bevond. Kort na zijn verhuizing naar Wenen in 1790, werd Ossoliński benoemd tot hoofd van de keizerlijke bibliotheek.

In deze periode legde hij de basis voor zijn grote verzameling boeken en kunstobjecten. Zeer toegewijd aan het nationale belang van Polen, richtte Ossoliński zich op alles wat met de geschiedenis en literatuur van het land te maken had. Ook de bestemming van zijn collectie werd van meet af aan bepaald: zij werd opgedragen aan de Poolse natie en werd haar eigendom na de dood van de oprichter.

Voor deze schenking, die formeel in 1817 plaats vond, was een keizerlijk decreet nodig, omdat Polen in die tijd geen soevereine staat was. Ossoliński omschreef nauwkeurig de functie van zijn verzameling. De collectie moest toegankelijk zijn voor het publiek. Er was geld gereserveerd voor regelmatige aankopen van boeken en kunstobjecten. Daarnaast zou er wetenschappelijk onderzoek worden verricht en publicaties worden verzorgd. Met deze laatste bepaling werd de basis gelegd voor een wetenschappelijke uitgeverij die tot op heden onder de naam Ossolineum werkzaam is.

In 1823, werd de verzameling, toen nog in handen van Ossoliński in Wenen, uitgebreid met een aanzienlijk deel van een andere particuliere kunstcollectie, die van prins Henryk Lubomirski uit Przeworsk. Dit nieuw verworven bezit kreeg - als filiaal van De Instelling - de naam Lubomirski Museum. 

De feitelijke opening van De Nationale Ossolński Instelling vond plaats in 1827, een jaar na de dood van de grondlegger. De verzameling werd ondergebracht in een oud-kloostercomplex van de karmelietenorde in Lwów, in het zuid-oosten van Polen. Het gebouw werd grondig gerenoveerd en aangepast aan de eisen van de nieuwe gebruiker. In 1833 werd de uitgeverij geopend. Het Lubomirski Museum is, om politieke en organisatorische redenen, pas in 1870 voor het publiek opengesteld.

De onafhankelijkheid van Polen, herwonnen in 1918, heeft geen verandering in de status van De Instelling gebracht. Dit gebeurde wel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In september 1939, na de bezetting van dit deel van Polen door het Sovjet Leger, werden de bij de Instelling gedeponeerde kostbaarheden van de Poolse adel in beslag genomen. In januari 1940 werd de gehele bibliotheek door de Sovjet Academie der Wetenschappen geannexeerd en ondergebracht bij de toen opgerichte locale afdeling van de Academie. De collectie van het Lubomirski Museum werd verdeeld over andere musea in Lwów. In juli 1941 kwam de stad in Duitse handen; een deel van de kunstcollectie en de bibliotheek werden opnieuw bij elkaar gebracht.

Toen de Duitsers in het begin van 1944 op de vlucht voor het Sovjet Leger sloegen en in alle haast het cultuurbezit van Lwów lieten evacueren, werden ook de meest waardevolle objecten van de collectie meegevoerd naar Kraków en ondergebracht in de kelders van de Jagiellonen Bibliotheek. In de zomer van 1944 werd de vlucht voortgezet en de collectie overgebracht naar het plaatsje Adelsdorf (nu: Zagrodno) in Neder-Silesië. Hier werd zij na de oorlog ongeschonden teruggevond. In 1947 heeft zij definitief haar onderkomen gevonden in Wrocław dat in 1945, samen met Neder-Silesië, Pools werd.  

Dat deel van de verzameling dat in Lwów was achtergebleven, werd in juli 1944, na de herbezetting door het Sovjet Leger, opnieuw in beslag genomen en overgedragen aan de Academie der Wetenschappen van Ukraine. Slechts een klein deel ervan werd na de oorlog aan Polen teruggegeven. 

Ook in Wrocław werd de Ossoliński Instelling in een voormalig klooster ondergebracht. Aanvankelijk behield zij haar onafhankelijke status en dezelfde, vooroorlogse structuur. In 1953 hebben de toenmalige autoriteiten echter besloten haar onder te brengen bij de Poolse Academie der Wetenschappen en het geheel te splitsen in twee afzonderlijke delen: bibliotheek en uitgeverij.

Vanaf 1995 is de Ossoliński Instelling opnieuw een onafhankelijke stichting met een bestuur en wettelijk vastgelegde statuten. De verzameling, die nog steeds groeit, is zeer omvangrijk en gevarieerd. Het belangrijkste onderdeel vormt de bibliotheek met een collectie boeken, tijdschriften, manuscripten en landkaarten. Volgens de wens van de oprichter werden en worden nog steeds boeken verzameld op het gebied van Poolse en Slavische literatuur en taalwetenschappen, kunstgeschiedenis, geschiedenis, filosofie, sociologie en rechten. De collectie tijdschriften (19de en 20ste eeuw) op het gebied van de alfa-wetenschappen behoort tot de grootste van het land. Bijzonder waardevol is de collectie oude drukken en incunabelen (drukken van vóór 1500), alsook manuscripten, waaronder een aantal zeer kostbare middeleeuwse exemplaren. De afdeling landkaarten bevat onder andere zeer waardevolle, Nederlandse drukken: een atlas in 6 delen uit 1648-1655 van Blaeu en een aantal zeekaarten van J.A.Colom uit 1642-1646. 

Wat de Ossoliński Instelling zo interessant maakt, behalve de enorme bibliotheek en de uitgeverij, is haar kunstcollectie die van museale allure is. De kern van de verzameling vormen tekeningen en prenten uit het voormalige Lubomirski Museum, dat deel - ruim 2000 exemplaren - dat na de oorlog in Neder-Silesië terug werd gevonden. De huidige verzameling is uitgegroeid tot ruim 170.000 objecten, afkomstig uit schenkingen en aankopen. De collectie kent een interne indeling in tekeningen (Europese meesters en Poolse school), grafiek (buitenlandse en Poolse), ex-libris, fotografie, miniaturen en een kleine afdeling schilderijen.

Van bijzondere waarde is de afdeling Tekeningen van Europese meesters uit de 15de t/m de 19de eeuw, waarin werken zijn opgenomen van oude meesters o.a. uit de Italiaanse, Franse en Duitse school. Een prominente plaats nemen hier de Nederlandse meesters in met Rembrandt, van wie een tiental tekeningen bepalend is voor de hoge kwaliteit van de collectie. Tot de ware juwelen behoren twee landschappen uit de omgeving van Amsterdam, verder Vissers aan de Amstel en Vrouw met kind op de arm (ca. 1635). Voorts zijn er werken van o.a. Pieter Bruegel de Oude, Jan Brueghel de Oude, Jan van Scorel, Bartholomaeus Spranger en een serie schetsen van Maerten de Vos. Een van de oudste werken is de voorstelling van Johannes de Evangelist uit de werkplaats van Dirk Bouts.

De Ossoliński Instelling bezat vroeger een groep van 26 tekeningen van Albrecht Dürer uit de jaren 1493-1520. Slechts één ervan - Hoofd van een oude man met baard - bevindt zich nu nog in de collectie. De andere 25 werden direct na de bezetting van Lwów door de Duitsers (1941) naar Berlijn overgebracht op persoonlijk bevel van Göring. Daar teruggevonden door de geallieerden, werden ze in 1945 teruggegeven aan de laatste conservator van de collectie, prins Andrzej Lubomirski, die toen in het buitenland verbleef. De familie besloot de tekeningen afzonderlijk te verkopen; uit dit bezit zijn er vier bladen door het Rotterdamse Museum Boymans van Beuningen aangekocht. De rest is in overwegend Amerikaanse collecties terechtgekomen.

De afdeling Poolse tekeningen bestaat voornamelijk uit werken van kunstenaars uit de 19de en 20ste eeuw. Het zijn veelal schetsen en tekningen die de geschiedenis van Polen tot onderwerp hebben, zoals bladen van o.a. Aleksander Orłowski (1777-1832), Artur Grottger (1837-1867) en Piotr Michałowski (1800-1855). Er is ook werk van de grote tekenaar en graficus Jan Piotr Norblin (1745-1830), die veel studies van boeren en van het boerenleven naliet.

Naast de tekeningen vormt grafiek het tweede belangrijke onderdeel van de collectie. De kern van de verzameling Europese scholen bestaat uit aankopen door Ossoliński en Lubomirski, in der loop der jaren uitgebreid met veel kleine particuliere schenkingen. Ook hier zet een kleine groep etsen van Rembrandt de toon. Kwalitatief goed vertegenwoordigd is de Italiaanse prentkunst: talrijke etsen door G.B. Tiepolo en een portfolio met stadsgezichten door G.B. Piranesi. Er is ook werk van Engelse (o.a. W.Hogarth) en Franse (o.a. H.Daumier) kunstenaars aanwezig.

Tot de oudste Poolse prenten behoren houtsneden met voorstellingen van heiligen uit het begin van de 16de eeuw. Interessant is het grafisch oeuvre van J.P. Norblin en M. Płoński (1778-1812) dat sterk geinspireerd is door de etskunst van Rembrandt. Zeer omvangrijk is de verzameling Poolse grafiek uit de 20ste eeuw, een onderdeel dat nog steeds groeit door recente aankopen en schenkingen. 

De collectie ex-libris is relatief jong, maar met haar omvang van ca. 50.000 exemplaren (in 1997) behoort zij tot de grootste van het land. De basis vormen twee particuliere verzamelingen, verworven na de Tweede Wereldoorlog. Zij omvat overwegend Poolse drukken uit de 16de tot en met de 20ste eeuw.  

De Ossoliński Instelling organiseert regelmatig exposities: monografische, met werk van één kunstenaar, of thematische, waarbij verschillende aspecten van de verzameling aan bod komen. Daarmee wordt recht gedaan aan de wens van de grondlegger om het rijke bezit van de Instelling voor het publiek toegankelijk te maken.

De lopende tentoonstelling heeft - heel toepasselijk - een Nederlands karakter. Zij is gewijd aan Rembrandt en andere meesters van de Nederlandse tekenkunst uit de 15de, 16de en 17de eeuw. Onder de 73 geexposeerde tekeningen is er opvallend veel werk van leerlingen van Rembrandt, zoals Ferdinand Bol, Willem Drost, Carel Fabritius, Govaert Flinck en Samuel van Hoogstraten. Ook Vlaamse kunstenaars, o.a. Pieter Bruegel de Oude, P.P. Rubens en Anthony van Dijk, zijn met een enkel blad vertegenwoordigd. 

Deze collectie verdient ongetwijfeld meer bekendheid, ook in het buitenland. Het zou interessant zijn om in Nederland verschillende aspecten ervan te laten zien; bijvoorbeeld de hierboven genoemde tentoonstelling, of juist één die samengesteld zou zijn uit uitsluitend werk van Poolse kunstenaars.

◄ terug